Anouk – chocolademelk

“Maar ik heb nog niet gedoucht, mevrouw”. 

“Als je me wil spreken, moet je nu meekomen. Vanmiddag ben ik er niet meer”. Ongedoucht gaat Anouk mee. 

“… kan straks ook wel”, mompelt ze. Blijkbaar heeft ze me iets te vertellen. We komen langs een koffieautomaat waar ze warme chocolademelk uit haalt. De meeste vrouwen, valt me op, zijn gek op chocolademelk. 

Ja, ze heeft iets te vertellen, maar liever nog wil ze even van mijn telefoon gebruik maken. Dat is toegestaan van de gevangenisleiding. Eén gesprekje – maakt niet uit met wie, met haar advocaat, haar man, haar partners in de misdaad (als die er zijn en wat niet slim is, want dan kunnen we ze traceren) – onder één voorwaarde, dat ik aanwezig ben. Maar voordat ze me om de telefoon vraagt, krijg ik eerst een heel verhaal over me heen. Blijkbaar denkt ze dat ze me eerst moet vermurwen wil ik ja zeggen. 

“Je kunt hier helemaal niets”, zegt ze. “Je kunt niks kopen, er valt niks te shoppen, er is geen caféetje, niks”. Ik controleer of ze me in de maling neemt, maar ze lijkt bloedserieus. “En ik heb geen geld”, zegt ze. Ik besluit te doen of ze me wel in de maling neemt. “Het lijkt de gevangenis wel”, zeg ik. “Daar kun je ook niks”. Nu kijkt Anouk míj aan of ik haar in de maling neem. 

Dan slaat ze een andere toon aan. “Ik vind wel dat ik terecht zit”, zegt ze. “Maar misschien had ik eerder moeten bellen. Met de politie. Nu liet ik hem zijn gang gaan. We werden alsmaar agressiever. Hij, maar ik ook. Toen hij een mes trok, had ik moeten bellen. Ja, hij legde het weg en toen pakte ik het. Stom hoor. Al die alcohol, al die drugs. Dan ben je niet jezelf. Ik stak hem. En toen belde híj de politie. Als die niet op tijd waren gekomen was hij doodgebloed”. 

Nu ze het vertelt, herinner ik me uit de dossiers een steekpartij. Ze was zelf ook gestoken. “Maar ik hou nog steeds van hem, mevrouw. Zielsveel”. Anouk is een jonge vrouw. Nu is houden-van en zo-enorm-verliefd-zijn dat je zelfs steekpartijen kunt vergeven, niet aan jeugd of leeftijd gebonden, maar hier zat toch een tot over haar oren verliefde vrouw tegenover me. “We vinden elkaar niet alleen in alcohol en drugs, hoor”, corrigeert ze mijn niet hardop uitgesproken maar wel goed geraden gedachte. “We houden ook allebei van auto’s en mooie dingen. We zijn ook handig in het verkopen van van alles”. Bij dat van-alles knipoogt ze nog net niet, maar ik heb er mijn wederom niet hardop uitgesproken gedachte bij. “Maar hier in huis kun je werkelijk niks kopen of verkopen”. 

Ik wacht of ze me in vertrouwen neemt, over dat verkopen en vermoede dealen, maar voor haar gevoel heeft ze me al in vertrouwen genomen. “Ik moet van de drank af, mevrouw. Dat gaat nooit goed. Maar het is zo godsgruwelijk heerlijk. Ik word eigenlijk helemaal gek hier zonder drank. Maar het is levensgevaarlijk. Jazeker. Ik had hem dood kunnen steken. Ik hou van hem. Ik wil hem helemaal niet dood. Denkt u dat ik levenslang kan krijgen?” Ik stel haar gerust zoveel als het kan, maar ik heb het gevoel dat ze zelf ook wel weet dat ze overdrijft. 

Dan laat ik haar bellen. Ze belt met haar man-vriend-geliefde-slachtoffer, of wat hij ook is. “Je moet het kort houden”, is het enige dat ik aan beperking opleg. Ze houdt het kort. Het is liefje-hier, liefje-daar. “Ja, ik kan hier van alles kopen”, zegt ze. “Het is een tolerante gevangenis. Ze hebben shag, en whisky en gigolo’s”. Ze knipoogt naar mij. “Maar daar heb ik allemaal geld voor nodig. Je moet iets overmaken naar de rekening van de gevangenis. Op mijn naam”. 

Dat is ‘liefje’ niet van plan, meen ik uit het vervolg op te maken. Na nog wat liefjes heen-en-weer vraag ik haar de verbinding te verbreken. Nee, hij maakt geen geld over. Of ze teleurgesteld is. “Ach nee”, zegt ze. “Hij blijft mijn mannetje. En bovendien, whisky hebben ze niet. Dat was een grapje – of had u dat door?”. 

We praten nog wat verder. Ze blijkt een gelovige vrouw. Ze houdt van de Bijbel, vertelt ze. Ze kent veel verhalen. “We gingen altijd naar de kerk toen ik een klein meisje was. Mijn ouders waren erg katholiek. Ik vond die verhalen van Jezus altijd prachtig”. Ik vraag haar of ze ook een lievelingsverhaal heeft. “Jazeker”, zegt ze, en even denk ik dat ze mijn vraag heeft uitgelokt. “Dat Jezus water in wijn verandert. Prachtverhaal vind ik dat. Ik wou dat ik dat kon”. Weer kijk ik haar aan of ze me in de maling zit te nemen. Maar ze kijkt nog steeds bloedserieus. 

Als we ons gesprekje beëindigen, zegt ze: “Vindt u het goed als ik nog een bekertje chocolade mee naar boven neem?”. 

Comments are closed, but trackbacks and pingbacks are open.